Taalspelletje - Klein Duimpje Sluit dit venster

Er waren eens een arme boer en zijn vrouw. Dat ze heel arm waren, daar gaven ze niet zoveel om. Wat ze wel heel erg vonden was dat ze nog steeds geen kinderen hadden. Op een avond (vul in de verleden tijd van 'zeggen') de vrouw tegen haar man: 'Ik zou zo graag een kind hebben. Het maakt me niet uit hoe hij er uit ziet. Al was hij zo groot als mijn duim. Ik zou zoveel van hem houden.'
Toen wer de vrouw ziek. Zeven maanden later beviel ze van een zoon. Wat waren de nieuwe ouders blij. Maar het was geen gewone zoon. De jongen was niet groter dan een duim. De wens van de vrouw was (vul in het voltooid deelwoord van 'uitkomen') . Het maakte ze helemaal niets uit. Ze noemden de jongen Klein Duimpje.
Al gauw kwam de vader erachter, dat hoewel zijn zoon erg klein was, de jongen heel erg slim was. Alles wat hij deed lukte.
Op een dag dacht de vader. 'Had ik maar iemand die de kar achter me aan (vul in de verleden tijd van 'brengen') , als ik hout aan het kappen ben in het bos.' 'Vader', zei Klein Duimpje, 'Ik wil best de kar komen brengen!' Het was alsof hij had gehoord wat zijn vader dacht. 'Maar jongen, daar ben je toch veel te klein voor!' 'Als moeder het paard in span en me dan in zijn oor zet, zal ik het paard het bos door lijden.' De vader wilde dat best eens proberen. Hij vertrouwde Klein Duimpje wel.
Dus de volgende dag, toen zijn vader in het bos aan het kappen was, zette zijn moeder Klein Duimpje in het oor van het paard. Het paard liep zo, op de bevelen van Klein Duimpje, het bos in.
Er waren twee vreemde mannen in het bos. Opeens hoorden ze iemand roepen: 'Links!' Toen zagen ze een paard en een kar de hoek omkomen. 'Dat is raar! Ik zie een paard en een wagen. Ik hoor iemand bevelen geven, maar zie degene niet,' riep een van de mannen verbaas. De mannen besloten het paard te volgen. Toen Klein Duimpje bij zijn vader aankwam, haalde zijn vader hem uit het oor van het paard. Wat was de vader trots op zijn zoon.
De mannen dachten dat ze met zo'n klein mannetje goed geld konden verdienen in de stad. Ze zouden hem aan het circus kunnen verkopen. Een van de mannen liep op de vader af. 'Verkoop ons die jongen', zei hij. 'Nee hoor, ik hou van die jongen', zei de vader. 'Vader, doe het maar, ik kom wel terug!' verluisterde Klein Duimpje zijn vader toe.
De vader kreeg een zak met goud en Klein Duimpje werd op de hoed van een van de mannen gezet. Na een heel end lopen riep Klein Duimpje dat hij echt even op de grond moestom zijn benen te strekken. De man zette hem op de grond. Klein Duimpje kroop snel in een muizengaatje dat hij gezien had toen hij op de hoed zat.
'Hé, kom daar (vul in 'l' of 'll') onmiddeijk uit!' riep een van de mannen boos. 'Nee heus niet.' Nadat de mannen een aantal uur gewacht hadden besloten ze om zonder het mannetje naar de stad terug te gaan. Ze hadden honger en wilden eten.
Klein Duimpje kroop uit het gat en begon aan zijn weg naar huis. Voor hem was het al een lange dag. Toen hij een boerderij tegen kwam, besloot hij daar te overnachten. Hij ging lekker liggen in het stro.
De volgende ochtend gebeurde er iets (vul in 'k' of 'kk') verschrielijks. De boer Ging de koeien stro geven en pakte precies een hand stro én Klein Duimpje. Klein Duimpje werd pardoes wakker, maar het was al te laat. Hij zat in de bek van de koe. Hij probeerde de tanden te ontwijken en toen werd hij doorgeslikt. Eenmaal in de maag had hij er genoeg van. 'Haal me eruit, haal me eruit!' schreeuwde hij zo hard als hij kon. De boer hoorde het en dacht dat zijn koe behekst was. Het dier werd gelijk geslach. Gelukkig voor Klein Duimpje werd de maag op de mesthoop gegooid.
Hij kroop eruit, maar net toen hij weer daglicht zag, kwam er een gulzige wolf aan. Hij zag klein duimpje, (vul in 'n' of 'nn') griikte even en slokte toen de hele maag, met Klein Duimpje naar binnen. Klein Duimpje was er nu wel moe van geworden, steeds in magen te zitten en bedacht daarom een list. 'Wolf', zei hij van uit de Wolf's maag, 'ik kan je een plek vertellen waar je zoveel kunt eten als wilt. Een schuur die tot de nok toe vol zit met lekkers!' De wolf was erg gulzig en had altijd honger. Hij wilde dus wel luisteren. Klein Duimpje beschreef heel precies het huis van zijn vader. 'Dan kun je door het raampje naar binnen', zei hij op het laatst.
De wolf ging haastig op pad. Binnen een paar uur vond hij het huis en ging door het raampje de schuur in. Daar lag inderdaad heel veel lekkers. Hij at zich helemaal vol.Met een volle maag viel hij in een diepe slaap.
Nu begon Klein Duimpje heel hard te schreeuwen. Zijn ouders hoorden de stem van hun zoon en renden snel de schuur in. Daar zagen ze de wolf, die nog altijd sliep. 'Vader, ik zit in de maag van de wolf!' (vul in de verleden tijd van 'roepen') Klein Duimpje. Zijn vader pakte een schop en sloeg de wolf dood. De moeder had al een schaar gepakt en snel knipten ze de wolf open.
Daar kwam Klein Duimpje uit. Met een grote glimlach op zijn gezich. Iedereen was blij dat ze elkaar weer zagen.
Ze waren allemaal weer samen en hoefden zich nooit meer zorgen te maken om geld.